Archief‎ > ‎2013‎ > ‎

Training 16: Rangen en tanden

Geplaatst 14 feb. 2015 12:38 door Siep de Vries   [ 15 mrt. 2016 15:26 bijgewerkt ]

Fietsen is niet alleen maar dom een rondje trappen tot je weer thuis bent. Nou ja vooruit, eigenlijk wel, maar 't blijft leuk om te doen. Toch komt er wel eens iets voorbij wat tot stof voor discussie leidt. Een van die onderwerpen die bij fietsers eigenlijk altijd een schot in de roos is, zijn tanden.


Het punt is namelijk dat als je racefietsen allemaal op een rijtje zet, dan heeft iedereen eigenlijk precies hetzelfde ding. Ok, de een heeft een rooie en de ander een zwarte, en de ene fietser heeft een fiets van carbon en de ander van aluminium, maar uiteindelijk roesten ze allebei niet.


Je moet dus iets anders hebben waar je je mee kunt onderscheiden. En nou ja, bij fietsen zijn dat dus tanden. In het achterwiel van een racefiets zit namelijk een aardige collectie aan tandwielen. Voor, bij de trappers trouwens ook, maar die collectie is wat kleiner (overigens zijn die tandwielen ook voer voor VEEL discussie, maar daarover een andere keer). Met die tandwielen zorg je ervoor dat je bij een bepaalde snelheid langzaam  (gaat zwaar), of snel (gaat licht) trapt.


En waar gaat die discussie dan over? Wel, bij het fietsen bestaat er een onzichtbare grens. Niemand weet waar die precies zit, maar als je 'm passeert dan transformeer je van fietser naar renner. En als je de andere kant op gaat... Juist ja. De hoeveelheid tanden van het grootste tandwiel op je achterwiel is van grote invloed op die grens. En de discussie gaat er dan uiteraard over hoeveel tanden dat dan precies moeten zijn.


Als niet fietser denk je nu natuurlijk: 'Nou, dat moeten er vast zoveel mogelijk zijn.' Auto's met meer pk's en computers met meer gigabytes zijn tenslotte ook veel gaver. Maar zoals ik al vaker heb verteld: fietsers doen dingen graag anders.


Dus: hoe minder tanden op het grootste tandwiel zitten, des te groter de kans dat je als echte renner door het leven mag gaan. En eigenlijk klopt dat ook wel, want als je zonder tanden op je tandwiel op de top van een berg weet te komen met je fiets, nou dan ben je echt wel een fietsheld hoor.


Zo ook dus zaterdagochtend. Na een korte, maar toch vrij serieuze discussie hebben we bepaald dat de rennergrens ergens tussen de twintig en dertig tandjes moet liggen. Waar precies weten we nog niet, maar we werken er aan en komen er op terug.


De zaterdagochtend is echter niet bedoeld voor existentiële vragen. Er moet gewerkt worden! En hoe mooi sommige dingen dan ook uitkomen he, de training stond ook in het teken van tandwielen. Via twee oefeningen krijgen we een betere band met een paar van onze tandwielen.


Onze trainster heeft voor de oefeningen een paar nieuwe viaducten (of bruggen, als je druk bezig bent dan zie je dat allemaal niet meer zo duidelijk) uitgezocht in het mooie Friesland. Op het eerste viaduct (of brug) zetten we de fiets voor op het kleine blad (of midden, als je er drie hebt). Achter wissel je tussen de drie kleinste bladen. Elke keer als je het viaduct (of brug) opfietst, dan schakel je een blad zwaarder. Dat doe je tot ze op zijn, en dan begin je weer opnieuw. Je fietst net zolang verbeten heen en weer tot de trainster stop zegt.


Het tweede viaduct (brug) is bedoeld voor een goed gesprek met je grote blad voor. En zowaar is dit een oefening met eigen inbreng: Op het achterblad mogen we zelf kiezen welk tandwiel we gebruiken, zolang die maar zo klein mogelijk is. En ook nu weer net zolang op je tandvlees heen en weer fietsen tot de trainster ziet dat het goed is.


Gelukkig kunnen we bij deze training ook weer het nuttige met het aangename combineren, want het is ook tijd voor een verzetje bij onze materiaalsponsor: Hiemstra Fietsen. We gaan er namelijk nog even langs voor een koffie en lachen even onze tanden bloot voor een kiekje ('Say Thiieeessss').


Zoals je ziet, het leven van een fietser gaat niet alleen over rozen, maar ook over tanden. Maar ach,  uiteindelijk is er maar één moment waarop je ze echt  moet laten zien...