Archief‎ > ‎2016‎ > ‎

De proefrit

Geplaatst 11 sep. 2016 13:04 door Siep de Vries   [ 11 sep. 2016 13:04 bijgewerkt ]
Zoals de trouwe volgers wel weten, heb ik me ergens in laten luizen dit jaar. Over twee weken staat namelijk de ploegentijdrit op de Centrale As op het programma. Tweeëndertig kilometer jezelf het snot voor de ogen fietsen over snaarstrak en nog zo goed als ongebruikt asfalt. Het gaat zelfs zo hard straks, dat we er motorbegeleiding bij krijgen. Het is anders ook onverantwoord natuurlijk als wij met subsonische snelheid tussen dat miljoenenpubliek doorvlammen, zonder dat er iemand voor ons rijdt die de weg schoonveegt.

Maar om nu te voorkomen dat we als een stelletje ongeschoren heikneuters overkomen bij de start, leek het ons wel een goed idee om in elk geval één keer even te oefenen op deze gracieuze discipline. In gedachten zie ik ons al als een zwarte trein over de weg knallen. Perfect in lijn, met een bovenlichaam zo stil dat je er een reservebidon op zou kunnen parkeren en met precies dezelfde cadans gassen we straks als één streep onder het aquaduct door. 

Voor het zover is, moeten we alleen eerst even wat basispunten doorspreken. Wie rijdt er eigenlijk achter wie? Hoe lang blijf je op kop en hoe doen we de wissels? Er gaat heel wat voorbereiding in zitten om het er zo makkelijk uit te laten zien, hoor! 

Met een stapeltje kiezelstenen zoeken we de optimale waaierstrategie uit en daarna maar gaan met die banaan. Goed, eens even kijken hoe dit werkt. Maar zoals nu ook weer blijkt: over de meeste dingen met het fietsen wordt veel te ingewikkeld gedaan. Waar je moet rijden? Geloof me, als je je voorganger MOET bijhouden, dan voel je precies waar je moet rijden. Weinig keus ook, als je namelijk op de verkeerde plek rijdt, dan hou je het gewoon niet bij. 

Het grappige is dat hetgene wat je denkt dat het makkelijkste is, juist het lastigste is. Namelijk van kop gaan. Waar je denkt dat het je 'héhé, ff bijkomen' momentje is, is het juist het spannendste moment. Eerst gaat het al om het bepalen van het juiste moment om de koppositie los te laten. Je moet precies zo lang op kop blijven fietsen dat je jezelf bijna leegfietst (een minuutje ongeveer. Misschien anderhalf als je de longen van een tubaspeler hebt). Daarna laat je de snelheid ietsje vieren en dan komt het: je moet bij het laatste wiel aanpikken. 

Gotsamme, dat is nog wel even een dingetje zeg. Met je half verzuurde benen moet je de snelheid weer overnemen van de rest van je ploeggenoten. En je hebt maar één kans. Te langzaam en je bent reddeloos verloren als een roepende in de wind. 

Maar als je dan dat wiel te pakken hebt, dan zit je op de troon. Je voelt het hart weer uit je keel naar beneden zakken en van een gevecht met jezelf verandert de rit weer in een snel toertochtje. Tegen de tijd dat je weer aan de beurt bent, dan ben je er weer klaar voor: 'kom maar op, ik vreet die weg op!'


Dus concullega's: tot over twee weken. Kom maar op! We vreten die weg op!

Dit was het infietsen